(placeholder)

Wel of niet  aan het avondmaal?

De eerste brief van Paulus aan de gemeente in Korinte is een brief vol emotie. Paulus is namelijk ongerust, omdat ze de liefde kwijt zijn. Daarom is 1 Korintiërs 13, het beroemde hoofdstuk over de liefde, het hoogtepunt van de brief. Om hen terug te brengen naar de liefde neemt hij onder andere de viering van de maaltijd van de Heer (het avondmaal) als voorbeeld. Dat was toen nog een complete maaltijd, die men met elkaar gebruikte. Maar in Korinte kwamen de rijken, die alle tijd hadden, het eerst. Zonder op de anderen te wachten, aten en dronken zij dan volop. De armen en de slaven konden pas later komen omdat zij nog moesten werken. Voor hen was er dan niets meer over. Dat liefdeloze gedrag wekt de verontwaardiging van Paulus op.

Hij schrijft dan (1 Kor. 11:27,28): Daarom maakt iemand die op onwaardige wijze van het brood eet en uit de beker van de Heer drinkt, zich schuldig tegenover het lichaam en het bloed van de Heer. Laat daarom iedereen zichzelf eerst toetsen voordat hij van het brood eet en uit de beker drinkt.

Dat vers heeft in de kerk voor veel discussie gezorgd. Ik ben zelf ook opgevoed met het idee dat je jezelf moet onderzoeken voor je aan het avondmaal gaat. En als je dan iets vindt dat niet goed is, werd mij geleerd, dan moet je het eerst oplossen, of je moet dan niet aan de tafel gaan. Want anders ga je op onwaardige wijze aan het avondmaal en eet je jezelf een oordeel.

Daar zit natuurlijk wel iets in: wij zijn allemaal onwaardig. Sinds de zondeval is de mens onwaardig om bij God in de buurt te komen. Maar Jezus zegt bij de instelling van het avondmaal duidelijk tegen zijn leerlingen ‘doe dit tot mijn gedachtenis’ (Lukas 22:19). Hij zegt dat als een opdracht. Blijkbaar vindt hij ons wel waardig om bij hem aan tafel te zitten. Wat zouden wij ooit voor argumenten kunnen aanvoeren om deze dringende uitnodiging van onze verlosser af te slaan?

‘Maar’, hoor ik je nu denken, ‘Paulus zegt toch dat wij onszelf moeten toetsen?’ Laten we dan nog eens lezen wat hij nu precies schrijft: Laat daarom iedereen zichzelf eerst toetsen voordat hij van het brood eet en uit de beker drinkt. De Naardense Bijbel en de Statenvertaling vertalen het wat letterlijker:

laat een mens zichzelf beproeven, en zó eten van het brood (NB)

de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood (SV)

Dat staat er: jezelf onderzoeken, en zo, op die manier, eten en drinken. Maar ook de NBV is nog duidelijk genoeg: eerst jezelf toetsen, en dan eten van het avondmaal.

Dat zelfonderzoek is dus niet gericht op wel of niet deelnemen. Jezus geeft immers de opdracht om deel te nemen. Maar de toets is er op gericht dat je je hart weer recht zet, dat je jezelf helpt om weer in de liefde te gaan staan, ook al was je daar misschien tijdelijk van afgedwaald.

Paulus geeft dus ook geen enkele reden om eventueel niet deel te nemen. Er is geen lijst met zonden waarmee je niet mag deelnemen aan het avondmaal of een lijst met ‘minder erge’ zonden die wel toelaatbaar zijn bij het avondmaal. Het avondmaal is geen ‘bewijs van goed gedrag’. Integendeel, het is een belijdenis dat we alleen in Christus waardig zijn om voor God te verschijnen. Wie de opdracht van Jezus om avondmaal te vieren afwijst, vindt zijn eigen tekortkomingen feitelijk belangrijker dan het volbrachte werk van Jezus. Als je dat tot je laat doordringen, dan besef je dat niet deelnemen, hoewel het nederig bedoeld is, ten diepste juist een vorm van hoogmoed is. Dat is een indringende, maar wel voluit bijbelse boodschap.


De teksten van Lukas en Paulus geven geen enkele ruimte om als gelovige de opdracht van de Heer te weigeren. Ben je christen? Vier dan avondmaal en belijd op die manier dat Jezus jouw Heer en de komende Heer van de wereld is. En doe dat zo vaak mogelijk, want deze belijdenis helpt je om dicht bij hem te blijven.

(placeholder)